Nieuwsbrief 2026 – 05
1 Spitsuur – 16 juni 2026 – 4Wings
Op dinsdag 16 juni 2026 organiseert Mploy samen met Salar een volgende Spitsuur HR. Van de impact van het regeerakkoord en het veelbesproken “prikklok-arrest” tot de nieuwe loontransparantiewetgeving: onze experten vertalen complexe regelgeving naar concrete inzichten voor uw organisatie. U vindt hier meer info en kan er ook inschrijven.
2 Kantoornieuws
Mploy verwelkomt met veel genoegen mr. Muzaffer Çalişkan als medewerker. Hij deed eerder ruime ervaring op in het sociaal recht bij een representatieve werknemersorganisatie en bij zowel nationale als internationale advocatenkantoren. Mr. Çalişkan zal zich toeleggen op het arbeids- en socialezekerheidsrecht in brede zin.
Van de hand van mr. Steven Renette verscheen in De Morgen van 15 mei 2026 een opiniestuk met de titel “Wie het ziektebriefje echt wil hervormen moet zijn heil niet zoeken in controles maar in de rolverdeling zelf.” U kan zijn stuk hier lezen.
3 Rechtspraak – agentuur en het einde van de overeenkomst
Hof van Justitie 23 april 2026, C-204/25, Kempen Advies Beerse e.a.
Een handelsagentuurovereenkomst eindigt niet op de datum waarop de handelsagent kennis krijgt of redelijkerwijs kennis kan nemen van de beëindiging van die overeenkomst, maar pas op de datum waarop de opzeggingstermijn verstrijkt.
- Bank Nagelmackers had drie handelsagentuurovereenkomsten gesloten met Kempen Advies Beerse, Compagnie LLC en FP Verzekeringen, respectievelijk op 22 mei 2003, 22 december 2006 en 31 januari 2006. Op 8 juli 2016 heeft de bank die drie agentuurovereenkomsten beëindigd met opzegtermijnen, variërend van één tot zes maanden, en voor twee ervan tegen betaling van een opzegvergoeding.Op 27 oktober 2016 hebben de bank en de drie agenten een globaal akkoord gesloten over de opzegvergoeding, de uitwinningsvergoeding en de bijkomende vergoeding die aan hen verschuldigd was wegens de beëindiging van die agentuurovereenkomsten.
- Omdat de agenten van mening waren dat het globaal akkoord onder druk van de bank was gesloten, vorderden zij voor de ondernemingsrechtbank de nietigverklaring onder meer op grond van de dwingende bepalingen van boek X WER. Hun vordering werd zowel door die rechtbank als door het hof van beroep afgewezen omdat zij na kennisname van de opzeg hun contractuele vrijheid hadden herwonnen zelfs als de uitvoering van die overeenkomst voortduurde tot het einde van de opzegtermijn.De agenten stapten daarop naar het Hof van Cassatie. Die stelde aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag: “Dient de handelsagentuurovereenkomst als beëindigd beschouwd te worden in de zin van artikel 15, lid 2 en artikel 19 van richtlijn 86/653, op het ogenblik van de effectieve stopzetting van de handelsagentuurovereenkomst, dus na het verstrijken van de opzeggingstermijn, dan wel op het ogenblik dat de handelsagent kennisneemt of redelijkerwijze kennis kon nemen van de opzegging van de handelsagentuurovereenkomst?”Partijen mogen volgens artikel 19 van richtlijn 86/653 niet ten nadele van de handelsagent van de artikelen 17 en 18 afwijken voordat de overeenkomst is beëindigd. Die artikelen regelen het recht van de agent op een uitwinningsvergoeding en op een herstel van een bijzonder nadeel.
- Het antwoord van het Hof laat aan duidelijkheid niet te wensen over: “een handelsagentuurovereenkomst eindigt niet op de datum waarop de handelsagent kennis krijgt of redelijkerwijs kennis kan nemen van de beëindiging van die overeenkomst, maar pas op de datum waarop de opzeggingstermijn verstrijkt.”Het Hof overweegt onder meer dat de opzegging van de agentuur geen einde maakt aan de economische afhankelijkheid van de agent ten aanzien van de principaal en dus aan de ongelijkheid tussen de partijen.
- De uitspraak van het Hof van Justitie verdient nadere studie ook voor de arbeidsrechtpraktizijnen. Bij opzegging herneemt de werknemer volgens de gangbare mening zijn vrijheid op het ogenblik van de kennisgeving van de opzegging (Cass. 22 mei 1978, RW 1978-79, 1435; Cass. 12 oktober 1998, RW 1998-99, 1351). Vanaf het ogenblik van de kennisgeving van de opzegging door de werkgever mag de werknemer volgens vaste rechtspraak alle overeenkomsten sluiten en met name afstand doen van de hem toekomende rechten, zoals de wettelijk voorgeschreven opzeggingstermijn. Zou die rechtspraak nu in het licht van het besproken arrest op de helling komen te staan?
Ludo Vermeulen, advocaat-vennoot
ludo.vermeulen@mploy.be
4 Rechtspraak – en nogmaals over de Wet Eenheidsstatuut
Arbeidshof Brussel 10 februari 2026, www.juportal.be
Een arbeider treedt in dienst op 22 maart 1999. In 2018 krijgt hij het statuut van bediende. De werkgever ontslaat hem op 22 april 2022.
Het hof stelt vast dat hij de facto arbeider is gebleven maar conventioneel het bediendenstatuut kreeg. Het hof stelt vervolgens vast dat in deze concrete situatie de werknemer door de Wet Eenheidsstatuut (en de overgangsbepalingen) benadeeld wordt in vergelijking met de situatie zonder die wet. Onder vigeur van de Arbeidsovereenkomstenwet vóór de wijzigingen van eind 2013 zou hij immers recht gehad hebben op een opzegtermijn conform het oude artikel 82, dat aanleiding gaf tot het ontstaan van de formule Claeys. Volgens het arbeidshof zou hij in dat geval recht hebben gehad op een opzegvergoeding van 23 maanden terwijl hij nu recht heeft op 56 dagen en 27 weken (= 35 weken). Over die ‘achteruitgang’ in bescherming stelt het hof een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.
Men kan zich afvragen of het arbeidshof niet tot een andere beslissing kon komen door het principe van de schuldvernieuwing toe te passen. Is door de overgang naar het bediendenstatuut geen nieuwe overeenkomst gesloten? Die vraag komt in het arrest niet aan bod. Het gevolg van een dergelijke schuldvernieuwing zou zijn dat de opzegtermijn in zijn geheel moet worden berekend aan de hand van de regels van artikel 37/2 Arbeidsovereenkomstenwet, wat de werknemer een opzegtermijn van 65 weken zou opleveren.
Ludo Vermeulen, advocaat-vennoot
ludo.vermeulen@mploy.be