Blijf op de hoogte

Nieuwsbrief 2026 – 03

31 maart 2026

1 Kantoornieuws

In het tijdschrift Oriëntatie 2026, aflevering, p. 98-108 verscheen een bijdrage van mr. Steven Renette met de titel “Het vaststellen van het bezit en het gebruik van alcohol en drugs op de werkplaats”.

Nieuwsbrief 2026 - 03

2 Rechtspraak – spreekt het Hof van Cassatie zichzelf tegen?

Hof van Cassatie 23 maart 2026, S.19.0047.F

Een sectorale cao die de verkiezing van de vakbondsafvaardiging regelt, mag de kaderleden niet uitsluiten van deelname aan die verkiezing.

  1. Samenvatting. De oprichting en het statuut van de vakbondsafvaardiging in de ondernemingen die horen tot het ressort van het paritair comité nr. 209 voor de bedienden van de metaalfabrikatennijverheid zijn geregeld door een cao van 6 februari 1996. Die cao is algemeen verbindend verklaard bij KB van 5 september 2001.Die cao sluit de kaderleden, zijnde de bedienden met een functie waarvoor geen sectorale loonschaal geldt, uit van de verkiezingen. Zij kunnen zich niet verkiesbaar stellen en ook niet deelnemen aan de stemming.In november 2015 vroegen de bediendenvakbonden aan de directie van Alstom dat ook die hogere bedienden zouden mogen deelnemen aan de verkiezing van de leden van de vakbondsafvaardiging. Alstom ging niet op de vraag in en liet enkel de “gebaremiseerde” bedienden toe tot de verkiezing van 12 mei 2016. ACV wendde zich daarop tot de rechtbank met de vraag om die verkiezingen nietig te verklaren omwille van de nietigheid van de cao-bepalingen en om Alstom te veroordelen om die verkiezingen over te doen en ook de kaderleden toe te laten als kandidaat en bij de stemming. Anders gezegd, ACV vroeg aan de rechter om een cao (deels) nietig te verklaren die zij zelf mee had ondertekend.De rechtbank wees die vordering af. Het arbeidshof Bergen verklaarde de vordering wel gegrond in een arrest van 15 maart 2019. Het hof overweegt « qu’il s’impose de vérifier si les règles générales et abstraites applicables au litige sont conformes aux normes qui leur sont supérieures et, dans la négative, d’en écarter les dispositions contraires ».Het komt vervolgens tot de bevinding dat de cao van 1996 een onderscheid maakt tussen twee categorieën van bedienden zonder dat daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording is, wat in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het hof legde bevel op aan Alstom om binnen de maand verkiezingen te organiseren met alle bedienden als stemgerechtigden en mogelijke kandidaten en dat onder verbeurte van een dwangsom van 500 euro per dag vertraging.Alstom ging in cassatie tegen dat arrest. Zeven jaar en enkele sociale verkiezingen later kent zij het resultaat. De voorziening in cassatie wordt afgewezen.Alstom argumenteerde in cassatie dat de rechter een cao niet mag toetsen aan de Grondwet. Daarbij verwees zij naar artikel 159 Grondwet: “De hoven en rechtbanken passen de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen.” Bovendien hebben de bepalingen van artikel 10 en 11 Grondwet geen horizontale werking.Het Hof van Cassatie verwijst in de eerste plaats naar artikel 9, 1° van de wet van 5 december 1968 op de paritaire comités en de cao’s: “Nietig zijn de bepalingen van een overeenkomst die strijdig zijn met de dwingende bepalingen van wetten, besluiten en in België bindende internationale verdragen en verordeningen.”Vervolgens verwijst het Hof naar de tekst van artikel 159 Grondwet (cf. supra). De centrale overweging van het Hof van Cassatie luidt vervolgens: “Il suit du rapprochement de ces dispositions que le juge est tenu d’écarter les dispositions d’une convention collective de travail contraires à des normes supérieures, y compris la Constitution. »
  2. En het arrest van 12 december 2022 dan? In dat arrest deed het Hof van Cassatie uitspraak over een betwisting die gerezen was rond een soortgelijke cao van het paritair comité nr. 207 voor de bedienden van de scheikundige nijverheid d.d. 4 mei 1999. In die cao hebben de sociale partners de hogere (“niet-gebaremiseerde”) bedienden uitgesloten van deelname aan de vakbondsafvaardiging. Zij tellen ook niet mee om het aantal leden van de vakbondsafvaardiging te bepalen. De vakbonden duidden in oktober 2016 een vakbondsafvaardiging aan waarvan ook die hogere bedienden – kaderleden deel uitmaakten. Met verwijzing naar de cao van 1999 wees werkgever 3M die aanstellingen af. De vakbonden wendden zich vervolgens tot de rechtbank en vorderden dat een aantal cao-bepalingen nietig zouden worden verklaard en dat 3M zou verplicht worden om ook kaderleden als vakbondsafgevaardigden te aanvaarden.De arbeidsrechtbank wees die vorderingen af omdat zij geen rechtsmacht had gezien de bepalingen van artikel 578,3° Ger.W. (cf. infra). Bij arrest van 13 januari 2021 vernietigde het arbeidshof Antwerpen deze uitspraak en verklaarde het de vorderingen van de vakbond en enkele kaderleden gegrond. 3M ging in cassatie. Het Hof van Cassatie sprak zich uit op 12 december 2022 en vernietigde de uitspraak van het arbeidshof.Overeenkomstig artikel 578, 3° Ger.W. nemen de arbeidsrechtbanken kennis van de individuele geschillen betreffende de toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomsten. Het Hof leidt daaruit af:“De arbeidsgerechten hebben geen rechtsmacht om kennis te nemen van de collectieve geschillen die kunnen rijzen met betrekking tot de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomsten. Zij kunnen zodoende geen kennisnemen van vorderingen die strekken tot het afdwingen van een wijziging van een bestaande cao of het sluiten van een nieuwe cao voor een collectiviteit van werknemers.
    (…) Om zijn rechtsmacht te bepalen dient de rechter bijgevolg het werkelijk nagestreefde doel van de door de partijen gestelde vorderingen na te gaan.”Uit de door de vakbonden gestelde eisen blijkt dat hun vordering een fundamentele wijziging beoogt van de bij die cao overeengekomen regeling voor de collectiviteit van de door de eiseres tewerkgestelde werknemers. Het betreft zodoende een collectief geschil dat onttrokken is aan de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken. Het Hof van Cassatie vernietigde dan ook de beslissing van het arbeidshof.
  3. Tegenspraak? Het ene arrest spreekt het andere niet tegen.In burgerlijke zaken is het aan de eiser in cassatie om de gronden tot cassatie (“middelen”) te omschrijven en aldus limitatief de punten van het aangevochten arrest te bepalen waarop het Hof van Cassatie zijn controletaak moet uitoefenen. Het Hof van Cassatie doet geen ambtshalve onderzoek van de voorziening en werpt geen middelen ambtshalve op (zie artikel 1080 Ger.W.).In de Alstom-zaak was het gebrek aan rechtsmacht van de arbeidsrechtbank en het arbeidshof blijkbaar niet opgeworpen door de werkgever, zodat die laatste ook geen grond tot cassatie kon aanvoeren met dat argument.
  4. Conclusie. De conclusie blijft dus dat, wanneer vakbonden of werknemers met hun vordering een fundamentele wijziging van een cao beogen, het gaat om een collectief geschil waarvoor de rechter geen rechtsmacht heeft.Dat neemt niet weg dat ook het arrest van 23 maart 2026 zeer belangrijk is. Het verplicht de feitenrechter immers om bij de beoordeling van een cao te onderzoeken of die wel te verzoenen is met alle hogere rechtsnormen, inclusief de Grondwet.  Gaat dat bijvoorbeeld leiden tot het nietig verklaren van cao-bepalingen die een directe of indirecte leeftijdsdiscriminatie inhouden?

Ludo Vermeulen, advocaat-vennoot
ludo.vermeulen@mploy.be

Nieuwsbrief 2026 - 03

3 Rechtspraak – de driedagentermijn begint soms maanden na de feiten

Arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Tongeren-Borgloon 3 juni 2025, niet gepubliceerd

De driedagentermijn begint te lopen op het ogenblik dat de werkgever de feiten kent en alle omstandigheden die daarvan een dringende reden maken. Het is mogelijk dat hij die kennis pas heeft op het ogenblik dat hij inzage krijgt in het strafdossier.

Eind september 2023 maakt de heer D.D., plaatser-monteur bij W.M. bv zich op de autosnelweg schuldig aan ernstige verkeersagressie waarbij hij zelfs in volle snelheid een ander voertuig moedwillig aanrijdt. Hij zat aan het stuur van een bestelwagen waarop reclame voor W.M. was aangebracht. Hij verwittigt de zaakvoerder S. van W.M. dat hij betrokken was bij een ongeval maar dat de lichte vrachtwagen waarmee hij reed niet beschadigd was. Bij zijn terugkeer uit het buitenland stelt S. vast dat de wagen wel degelijk beschadigd is.

S. krijgt enige tijd later telefoon van de politie die hem duidelijk maakt dat het ongeval het gevolg was van verkeersagressie. Op zijn vraag om meer verduidelijking krijgt S. van de politie te horen dat ze hem die niet kunnen geven maar dat zijn advocaat inzage in het dossier kan vragen.

Vier maanden later en nadat het strafdossier was vrijgegeven krijgt de werkgever via zijn verzekeringsmakelaar het dossier onder ogen waarin onder meer de verklaring van het slachtoffer van de verkeersagressie en van een getuige is opgenomen. W.M. beëindigt vervolgens binnen de drie werkdagen de arbeidsovereenkomst van D.D. om een dringende reden. Daarbij zet zij uiteen dat D.D. ondanks de zware regenval en het opspattend water zeer dicht tegen de achterbumper van zijn voorligger reed en die auto zelfs opzettelijk aanreed nadat de chauffeur ervan hem teken had gedaan om voorzichtiger te rijden en naar het linkerrijstrook was uitgeweken.

Over het feit dat een en ander een dringende reden vormde, was niet echt veel discussie. De betwisting werd vooral gevoerd rond de vraag of W.M. wel tijdig het ontslag had gegeven. Zoals algemeen bekend, moet de werkgever ontslag om dringende reden geven uiterlijk de derde werkdag nadat de feiten hem bekend zijn.

D.D. argumenteerde dat S. – zoals ook bleek uit het relaas in de ontslagbrief – enkele weken na het ongeval telefoon had gekregen van de politie die hem vertelde dat het ongeval door D.D. was veroorzaakt en het gevolg was van verkeersagressie. De politie gaf S. zelfs het telefoonnummer van een getuige. De werkgever had meer proactief te werk moeten gaan en had al na enkele weken voldoende kennis van de feiten of had die minstens kunnen hebben.

De rechtbank besliste dat W.M. die driedagentermijn wel degelijk had gerespecteerd. Zolang W.M. geen kennis nam van het strafdossier kende zij niet de specifieke omstandigheden van het “ongeval” en wist zij niet wat juist het aandeel was van D.D. in de feiten. Geen enkele rechtsregel verplicht de werkgever om proactief naar de getuige te bellen voor meer informatie.

Ludo Vermeulen, advocaat-vennoot
ludo.vermeulen@mploy.be

Wij maken gebruik van cookies of gelijkaardige technologieën (bv. pixels of sociale media plug-ins) om o.a. uw gebruikservaring op onze website zo optimaal mogelijk te maken. Daarnaast wensen wij analyserende en marketing cookies te gebruiken om uw websitebezoek persoonlijker te maken, gerichte advertenties naar u te verzenden en om ons meer inzicht te geven in uw gebruik van onze website.

Gaat u ermee akkoord dat we cookies gebruiken voor een optimale websitebeleving, opdat wij onze website kunnen verbeteren en om u te kunnen verrassen met advertenties? Bevestig dan met "OK".

Wenst u daarentegen specifieke voorkeuren in te stellen voor verschillende soorten cookies? Dat kan via onze cookie policy. Wenst u meer uitleg over ons gebruik van cookies of hoe u cookies kan verwijderen? Lees dan onze cookie policy.