Nieuwsbrief 2025 – 09
1 Kantoornieuws
Hou alvast 24 februari 2025 vrij. Dan organiseert Mploy samen met Salar sociaal secretariaat een Spitsuur HR rond alcohol en drugs op het werk.
2 Rechtspraak – dringende reden – proportionaliteit
Hof van Cassatie 22 september 2025, S.24.0029.N
De rechter mag de proportionaliteit tussen het ontslag en de gevolgen ervan voor de werknemer niet laten meewegen in zijn beoordeling van die dringende reden.
Nadat de arbeidsrechtbank zijn vordering tot het bekomen van een opzegvergoeding en een uitwinningsvergoeding gegrond had verklaard, zag de handelsvertegenwoordiger die vorderingen ongegrond verklaard door het arbeidshof. Dat hof oordeelde – in de lijn van een eerder arrest van het Hof van Cassatie van 6 juni 2016 – dat het geen rekening moest houden met de gevolgen van het ontslag bij de beoordeling van de dringende reden.
De werknemer argumenteerde voor het Hof van Cassatie dat de rechter wel naast andere beoordelingselementen toepassing mag maken van het proportionaliteitsbeginsel als beoordelingselement/omstandigheid. Hij mag dus nagaan of het ontslag om dringende reden en de gevolgen daarvan, waaronder het onmiddellijk verlies van de betrekking zonder opzeggingstermijn of –vergoeding, in evenredige verhouding staan tot de (ernst van de) door de ontslagen werknemer begane tekortkoming.
De werknemer verwees daarbij naar de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie die zegt dat de rechter bij zijn beoordeling van de rechtmatigheid van het ontslag om dringende reden rekening houden met alle elementen die zijn beoordeling kunnen staven. De rechter dient daarbij rekening te houden met alle omstandigheden van de zaak, in die zin dat hij ze dient te betrekken in zijn beoordeling.
Het Hof van Cassatie is het daarmee niet eens.
De verhouding tussen de rechtsgevolgen verbonden aan een ontslag om dringende reden en de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmogelijk maakt, is zonder verband met het begrip dringende reden in die wetsbepaling; dat de rechter de door een partij aangevoerde wanverhouding tussen de door haar begane fout en de gevolgen van het ontslag om dringende reden dient te betrekken in zijn beoordeling van de rechtmatigheid van het ontslag en meer in het bijzonder van het ernstig karakter van de tekortkoming en van de onmiddellijke en definitieve onmogelijkheid van de professionele samenwerking, berust op een onjuiste rechtsopvatting.
Ludo Vermeulen, advocaat-vennoot
ludo.vermeulen@mploy.be
2 Rechtspraak – schooldirecteur moet als straf terug naar de klas
Kamer van beroep GVO/ 2024 / 15 / … / 29 januari 2025
Een schoolbestuur uit het vrij gesubsidieerd onderwijs startte een tuchtprocedure op tegen een schooldirecteur naar aanleiding van de ontvangst van een bezorgde brief van diverse leerkrachten. Die signaleerden een hele reeks van gedragingen waaraan de directeur zich zou hebben bezondigd: intimidatie, het creëren van een angstklimaat, grensoverschrijdend gedrag, het beledigen en overroepen van personeelsleden, het niet-verbindend communiceren, het creëren van een toxische sfeer op school, het gebrek aan transparantie bij de opdrachtverdelingen, het niet dulden van inspraak, het zaaien van tweedracht, financiële fraude, identiteitsfraude, het doen van onnuttige/onnodige aankopen met werkingsmiddelen van de school, het in gevaar brengen van het pedagogische project van de school.
Uiteindelijk legde het schoolbestuur de tuchtstraf van “terugzetting in rang” op. Dat houdt in dat de betrokkene geen directeur van de school meer is en “terugvalt” op de positie van leerkracht/lesgever. Het heeft juridisch niet tot gevolg dat de betrokkene nooit meer directeur kan worden in de huidige of een andere school, maar die kans wordt feitelijk wel klein.
De directeur maakte tijdig gebruik van de mogelijkheid om hoger beroep aan te tekenen tegen de opgelegde tuchtstraf.
Uit de waslijst aan tenlasteleggingen selecteerde de kamer van beroep twee tuchtfeiten:
- het opzetten van een buitenwettelijk systeem van vergoedingen voor prestaties achter de rug van het schoolbestuur;
- de afwending van werkingsmiddelen van de school.
Over het eerste tuchtfeit – waarbij Colruyt-bonnen kennelijk een prominente rol speelden in het vergoedingssysteem – bestond volgens de kamer van beroep geen enkele twijfel. De directeur gaf toe dat hij dat systeem niet besproken had met het schoolbestuur. Het opzetten van dergelijk buitenwettelijk vergoedingssysteem betreft naar het oordeel van de kamer een bewust niet-naleven van het Rechtspositiedecreet. Dat dit achter de rug van het schoolbestuur gebeurde, verzwaart volgens de kamer de ernst van het tuchtfeit. Het is daarbij niet relevant dat de directeur het systeem wel besproken had met andere directies.
Volgens de kamer van beroep was voor dit eerste tuchtfeit alleen al een terugzetting in rang volstrekt redelijk. Het feit was van die aard dat het vertrouwen van het schoolbestuur in het personeelslid als directeur – minstens tijdelijk – verloren ging.
Vervolgens ging de kamer van beroep in op het tweede weerhouden tuchtfeit. De directeur zou goederen hebben aangekocht met werkingsmiddelen van de school en deze thuis hebben laten leveren. Kennelijk voerde de directeur aan dat hij die goederen nadien naar school bracht. Hij betwistte dat hij deze goederen voor eigen gewin had gehouden.
De kamer van beroep liet in het midden of de goederen nu al dan niet naar school gebracht werden en struikelde reeds over het feit dat de directeur dienaangaande geen twijfel had weggenomen. De kamer stelde hierover:
“Wie goederen thuis laat leveren, verkregen via werkingsmiddelen van de school zonder voldoende systematiek te hanteren waaruit blijkt dat die goederen niet persoonlijk gebruikt worden, maakt zichzelf bijzonder kwetsbaar. Dergelijke operationele procedures behoren volgens de kamer van beroep tot de taak van de directie. Een directeur die nalaat dit te organiseren om zijn eigen aankoop- en levergedrag te staven, kan nadien niet heel verbaasd zijn dat er twijfels rijzen en kritische vragen gesteld worden door de raad van bestuur.”
Zelfs indien de meest minimale interpretatie van dat tweede tuchtfeit bewezen was, versterkte het naar het oordeel van de kamer van beroep nog steeds de proportionaliteit van de sanctie van de terugzetting in rang.
De kamer van beroep bevestigde bijgevolg de opgelegde tuchtstraf.
Hans Van Rompaey, advocaat-vennoot
hans.vanrompaey@mploy.be