Kantoor Kempen

T+ 32 14 54 68 43

Kantoor Hasselt

T+ 32 11 36 09 71

Vermeulen

Nieuwsbrief 2021 – 8

1 Spitsuur HR - 12 oktober 2021 - 07.45 u4 - Wings Westerlo

 

Na twee succesvolle online-edities keren we op 12 oktober terug naar onze vertrouwde locatie.

 

We starten de dag met een uitgebreid ontbijt om u nadien brandend actuele onderwerpen voor te schotelen over HR en sociaal recht. U krijgt ook ruim de tijd om vragen te stellen.

 

Naast de live editie ter plaatse, kan u er ook voor kiezen om deze online te volgen.

 

Deelname kost 50 euro (excl. btw).

 

We zullen het onder meer hebben over de nieuwe regels rond de bedrijfswagens, over recente ervaringen met de sociale inspectie en – hoe kan het ook anders – werk en vaccinatie. Het volledige programma en de mogelijkheid om in te schrijven vindt u hier.

 

2 Kantoornieuws

 

Sam Robyns heeft het kantoor te Hasselt vervoegd. Zij start als advocaat-stagiaire op het kantoor te Hasselt. Zij behaalde in 2020 haar diploma van master in de rechten aan de KU Leuven en volgde in het academiejaar 2020-2021 de manama-opleiding sociaal recht aan de VUB.

 

De Standaard publiceerde op 30 september een opiniestuk van Steven Renette en Alexander Maes onder de titel “Schrijf het ziektebriefje af”. In hun bijdrage roepen ze op om de beoordeling van de
staat van arbeidsongeschiktheid van een werknemer toe te vertrouwen aan de arbeidsarts in plaats van de huisarts. De arbeidsarts is de expert op het vlak van de verhouding tussen gezondheid en werk en is veel beter uitgerust dan de huisarts om de mogelijkheden van de werknemer in te schatten.

 

3 Opleidingen

 

Ludo Vermeulen geeft op 14 december 2021 samen met de heren Geert Haentjens en Jo Schouteten (Motivato) in Antwerpen de opleiding “Het verdiende loon”. Daarbij wordt een strategische
visie uiteengezet met 9 aandachtsvelden rond loon- en arbeidsvoorwaarden. De sprekers trekken de juridische krijtlijnen en bespreken het loon als psychologisch contract tussen werkgever en
werknemer. U vindt hier meer informatie en kan er ook inschrijven.

 

 

4 Rechtspraak – Grondwettelijk Hof 30 september 2021

 

Het Grondwettelijk Hof brengt in het besproken arrest het sluitstuk aan in het juridische bouwwerk rond de gevolgen van het falen van Apra Leven. Na zowat tien jaar procederen staat vast dat de werkgever het gelag betaalt.

 

De Wet Aanvullende Pensioenen (WAP) bepaalt dat de aangesloten werknemer recht heeft op een gewaarborgd minimumrendement op zijn persoonlijke bijdragen, en – voor de pensioentoezeggingen van het type vaste bijdragen of cash balance – op de werkgeversbijdragen (artikel 24 WAP).Bovendien is de werkgever verplicht bij de uittreding de tekorten van de verworven reserves aan te zuiveren alsook de tekorten ten opzichte van de rendementsgarantie (artikel 30 WAP).

 

Uit twee arresten van het Hof van Cassatie (van 6 maart 2017 en 8 oktober 2018) blijkt dat die bepalingen tot gevolg hebben dat de werkgever bij uittreding maar ook bij pensionering gehouden is tot bijpassing van de tekorten van de verworven reserves, wat ook de oorzaak is van die tekorten.

 

Mevrouw R. was door haar werkgever aangesloten bij een aanvullendpensioenplan. De uitvoering van dat plan was toevertrouwd aan Apra Leven. Op 4 mei 2011 werd de vergunning van Apra Leven ingetrokken, waarna de verzekeraar in vereffening werd gesteld. Die vereffening is nog nietafgesloten.

 

Toen R. in 2012 op pensioen ging, betaalden de vereffenaars haar 20 % uit van het haar toekomende pensioenkapitaal. Ze sprak haar werkgever aan tot betaling van het saldo. De zaak belandde uiteindelijk bij het arbeidshof te Antwerpen. Die stelde een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Met name wilde het hof weten of de Wet Aanvullende Pensioenen niet discrimineert in de mate dat de werkgever die altijd netjes de premies heeft betaald en de werkgever die dat niet heeft gedaan op dezelfde wijze worden behandeld, waardoor de eerste werkgever tweemaal moet betalen en de tweede maar eenmaal. Het arbeidshof stelde ook een vraag over het gebrek aan onderscheid in de WAP tussen, enerzijds, de inrichters van een pensioentoezegging van het type vaste prestaties, waarbij de inrichter zich tegenover de aangeslotene verbindt tot een welbepaalde prestatie, en, anderzijds, de inrichters van een pensioentoezegging van het type vaste bijdragen, waarbij de inrichter zich verbindt tot het betalen van een vaste bijdrage aan de pensioeninstelling ter financiering van het aanvullend pensioen. Terwijl de inrichters van de eerste categorie hun keuze voor het afsluiten van een groepsverzekering zouden hebben kunnen maken rekening houdend met het risico
van insolventie van de verzekeringsinstelling en dienvolgens maatregelen konden nemen om de nadelige gevolgen van de verwezenlijking van dat risico te beperken of te beheersen, zouden de inrichters van de tweede categorie dat risico en zijn gevolgen niet hebben kunnen voorzien.

Roy Melis en Ludo Vermeulen stonden de erfgenamen van mevrouw R., die in de loop van de procedure overleden was, bij voor het Grondwettelijk Hof. Zij argumenteerden dat de bepalingen van de WAP, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Cassatie, geen discriminatie inhouden.

 

Het Grondwettelijk Hof heeft dat standpunt gevolgd. De wet is erop gericht de pensioenrechten te beschermen die voor de werknemers en hun rechthebbenden worden opgebouwd. Gelet op dat legitieme doel is het pertinent om de eindverantwoordelijkheid bij de werkgever te leggen en hem ertoe te verplichten de tekorten aan te zuiveren ongeacht de oorzaak van die tekorten en het type van pensioentoezegging. Die gelijke behandeling heeft geen onevenredige gevolgen voor de werkgever. Het Hof wijst er ook op dat het de werkgever vrijstaat al dan niet een aanvullend pensioen aan zijn werknemers toe te kennen. De verplichting voor de werkgever om tekorten aan te zuiveren, is dan ook het gevolg van de keuze die hij vrij heeft gemaakt om een pensioentoezegging te doen. Het Hof had daaraan nog kunnen toevoegen dat het ook de werkgever is die de pensioeninstelling (verzekeraar) kiest voor de uitvoering van de pensioentoezegging.

 

Met deze uitspraak valt het doek over de interpretatie van de artikelen 24 en 30 WAP en komt vast te staan dat de werkgever de ultieme verantwoordelijkheid draagt voor de goede afloop van een pensioentoezegging.

 

Voor de werkgevers die bijv. een groepsverzekering hebben lopen bij Integrale is dat geen goed nieuws. De Nationale Bank greep begin dit jaar bij deze verzekeraar in omwille van aanslepende solvabiliteitsproblemen.

 

Ludo Vermeulen, advocaat-vennoot
ludo.vermeulen@mploy.be

 

5 Rechtspraak – Grondwettelijk Hof 15 juli 2021

Over de praktische gevolgen van het arrest van het Grondwettelijk Hof over de nieuwe bepalingen van de WAP rond de uitbetaling van het aanvullend-pensioenkapitaal bij het opnemen van het wettelijk
pensioen.

 

In nieuwsbrief 2021 – 7 vestigden we de aandacht op het arrest van het Grondwettelijk Hof van 15 juli 2021. In dat arrest oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de wetgever – door de invoering van artikel
18 1° van de wet van 18 december 2015 – een ongelijke behandeling in het leven riep tussen personen die hun aanvraag voor het vervroegd wettelijk pensioen indienden vóór de inwerkingtreding van die wet (zijnde 1 januari 2016), maar pas na de inwerkingtreding ervan op pensioen gingen, enerzijds, en personen die vóór de inwerkingtreding van de wet van 18 december 2015 op pensioen zijn gegaan, anderzijds.

 

Tot de wetswijziging van 18 december 2015 was het mogelijk voor een werknemer om op vervroegd pensioen te gaan en het aanvullend pensioenkapitaal (opgebouwd bij de ex-werkgever) bij de pensioeninstelling te laten tot hij de eindleeftijd vermeld in het pensioenreglement bereikte. Op deze manier dikte het aanvullend pensioenkapitaal verder aan.

 

Met de wet van 2015 maakte de wetgever daar een einde aan en verplichtte personen wier vervroegd pensioen ten vroegste inging op 1 januari 2016 (de eerste categorie vermeld) om hun aanvullend
pensioen op te nemen bij het ingaan van het vervroegd wettelijk pensioen. De tweede categorie behield de mogelijkheid tot uitstel wél.

 

De wetswijziging had belangrijke nadelige financiële gevolgen voor de eerste categorie (personen die hun pensioen hadden aangevraagd in 2015 volgens de op dat moment van toepassing zijnde
wetgeving, maar die zonder dat ze het wisten onder de nieuwe wetgeving vielen), in het bijzonder voor degenen die aangesloten waren bij een defined benefit – pensioenplan (“vaste-prestatieplan”). Bij dit
type van pensioentoezegging belooft de inrichter de betaling van een welbepaald kapitaal op een welbepaalde datum (zijnde de einddatum). Bij een vervroegde uitbetaling heeft de aangeslotene enkel
recht op de op dat ogenblik verworven reserve. De verworven reserve weerspiegelt dan de actuele waarde bij uitkering van de verworven prestatie die op de wettelijke pensioenleeftijd zou worden
uitbetaald. Om die actuele waarde (en dus de verworven reserve) te berekenen, wordt de verworven prestatie geactualiseerd op basis van een aantal berekeningselementen, waaronder een technische
rentevoet van (meestal) 6 %.

 

De wetswijziging had met andere woorden tot gevolg dat de eerste categorie niet het beloofde pensioenkapitaal kreeg op eindleeftijd, maar de nadelige gevolgen moesten dragen van een vervroegde uitbetaling. Die vervroegde uitkering had/heeft immers een belangrijke vermindering van het uitgekeerde pensioenkapitaal tot gevolg. In het dossier dat voorgelegd werd aan het Grondwettelijk Hof verloor de betrokken persoon door de wetswijziging een (pensioen)kapitaal van bijna 121.000 euro bruto.

 

Hetzelfde geldt voor personen die aangesloten waren bij een defined contribution – pensioenplan (‘vaste-bijdrageplan’). Ook voor hen had de wetswijziging nadelige gevolgen. Door de wetswijziging werd het kapitaal immers verplicht uitbetaald op het moment dat hij/zij op vervroegd pensioen ging, zodat hen de mogelijkheid werd ontnomen om het kapitaal ongewijzigd bij de pensioeninstelling te laten (en het conform de  pensioentoezegging verder rendement kon opleveren).

 

Het Grondwettelijk Hof riep een halt toe aan deze ongelijke behandeling. Zij oordeelde dat de wets- wijziging – althans voor personen die zich in een situatie bevinden zoals omschreven in paragraaf 1.1. – ongrondwettig is omdat er geen overgangsmaatregelen werden voorzien. Deze personen hebben – net zoals dat het geval was vóór de wetswijziging van 18 december 2015 – het recht om hun
aanvullend pensioenkapitaal pas te laten uitbetalen op de datum vermeld in het pensioenreglement, ook als zij al eerder op vervroegd pensioen zijn gegaan. Voor hen vindt er dus – in geval van een
vaste-prestatieplan – geen (nadelige) actualisatie plaats.

 

Diende u een pensioenaanvraag in vóór 1 januari 2016, maar ging u pas ná 1 januari 2016 op  (vervroegd) pensioen? Werd u ook nadelig beïnvloed door de wetswijziging van 18 december 2015, omdat uw aanvullend pensioenkapitaal werd uitgekeerd naar aanleiding van de vervroegde pensionering? Dan heeft u een vordering op basis van het arrest van het Grondwettelijk Hof.

 

Er zijn goede argumenten voor de stelling dat als gevolg van het besproken arrest de vordering van de aangeslotene niet verjaard is ten aanzien van de pensioeninstelling, ook al dateert de pensionering
al van begin 2016. Door het arrest van het Grondwettelijk Hof staat het bovendien vast dat de wetgever een fout heeft begaan. Op grond van die fout van de wetgever zou ook de Belgische Staat kunnen aangesproken worden.

 

Roy Melis, advocaat
roy.melis@mploy.be

Stel uw vraag

 

En wij nemen zo snel mogelijk contact met u op

 

 

Webinars