Kantoor Kempen

T+ 32 14 54 68 43

Kantoor Mechelen

T+ 32 15 69 02 18

Kantoor Hasselt

T+ 32 11 36 09 71

Vermeulen

Nieuwsbrief 2017-5

1. Kantoornieuws

 

1.1 "De bedrijfswagen bij de overgang van een voltijdse naar een deeltijdse betrekking"

 

In CFO Magazine nr. 198 van juni 2017 verscheen een uitgebreide bijdrage van Dirk Heylen en Ilse Van Puyvelde: “De bedrijfswagen bij de overgang van een voltijdse naar een   deeltijdse betrekking”.

 

 

1.2 Spitsuur HR - ontbijtsessie -10 oktober 2017 - Westerlo – 4Wings

U vindt het programma op www.spitsuurhr.be. Daar kan u ook inschrijven.
 

 

1.3 Voka-opleiding - 28 september 2017 - Mechelen

 

Voka Mechelen organiseert op 28 september een opleiding “Werkbaar en wendbaar werk in jouw arbeidsreglement”. Ludo Vermeulen en Leen Putman maken de deelnemers wegwijs. Meer info en inschrijven via deze link.

 

 

2. Rechtspraak

 

2.1 Het stelen van een koffiekoek is een dringende reden.

 

Arbeidshof Brussel 10 februari 2016

De verkoopster die uit de verkoopruimte voor 1,79 euro  koffiekoeken meeneemt naar de lunchpauze zonder die te betalen begaat een fout, die de werkgever als een dringende reden mag beschouwen.
 

Mevrouw D. werkt bijna drie jaar als verkoopster in een supermarkt. Zij is op weg om haar lunch­pauze te nemen en wordt aan de tikklok betrapt met een koffiekoek en twee kleine rozijnenbroodjes (totale verkoopprijs 1,79 euro) die zij niet betaald heeft. Zij beweert dat ze vergat te betalen door de drukte.

 

Het arbeidshof oordeelt dat dergelijk feit minstens en alleszins een vergissing is die een normaal voorzichtig en gewaarschuwde werknemer niet zou begaan. “Het feit voor een bediende om zich buiten de verkoopruimte te bevinden in het bezit van goederen waarvoor geen betalingsbewijs kan worden voorgelegd, is ongetwijfeld van aard om de verdere samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk te maken.” Dat het slechts om 1,79 euro ging, is daarbij niet relevant. Het hof verwijst in dat verband naar het arrest van het Hof van Cassatie van 6 juni 2016 (zie nieuwsbrief 2016 – 6).

 

 

2.2 Een concurrentiebeding met vraagtekens

 

Hof van Cassatie 23 januari 2015

Hof van Cassatie 25 juni 2015

 

Wanneer een concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst ongeldig is, bijvoorbeeld omdat het verbod te lang duurt, kan de rechter dan de duur ervan beperken tot wat wel geldig is, nl. één jaar?

 

1. De handelsagentuurovereenkomst wordt thans geregeld in boek X van Wetboek Economisch Recht (hierna WER). De handelsagent is de persoon die permanent en tegen vergoeding wordt belast met het bemiddelen en eventueel het afsluiten van zaken in naam en voor rekening van de principaal.

 

2. Het concurrentieverbod opgenomen in dergelijke overeenkomst moet aan bepaalde beperkende voorwaarden voldoen (zie artikel X.22, § 1 WER):

 

Een concurrentiebeding is enkel geldig wanneer:

1° het schriftelijk werd bedongen;

2° het betrekking heeft op het soort zaken waarmee de handelsagent belast was;

3° het beperkt blijft tot het geografisch gebied of de groep personen en het geografisch gebied die aan de handelsagent waren toevertrouwd;

4° het niet verder reikt dan zes maanden na de beëindiging van de overeenkomst.

 

Men leest wel eens in overeenkomsten dat het de agent “verboden is om op om het even welke wijze of in om het even welke hoedanigheid (zelfs als aandeelhouder) rechtstreeks of onrechtstreeks “betrokken te zijn bij activiteiten die concurreren met deze van de principaal of haar verbonden vennootschappen.”  Dergelijk concurrentieverbod is te ruim. Anders gezegd de overeenkomst verbiedt de agent te veel. Er kan hem enkel worden verboden om de zaken te commercialiseren zoals hij die voor de principaal commercialiseerde (zie B. Tilleman e.a., “Overzicht van rechtspraak. Bijzondere overeenkomsten: tussenpersonen 1999-2009”, TPR2010, 1019, nr. 613 met verwijzingen). Het beschreven verbod gaat veel verder dan de commercialisering. De agent mag bijv. ook geen schadebeheer gaan doen (of koffiemadam gaan spelen) bij een concurrerende vennootschap.

 

Kortom, het concurrentiebeding is ongeldig.

 

3. De volgende vraag is dan of de rechter nadat hij de nietigheid vastgesteld heeft, het verbod zou kunnen beperken tot de limieten bepaald in de wet (en dus tot commercialiseringsactiviteiten). Vroeger was het antwoord op die vraag zeer eenduidig. De rechter kon dat niet (Luik 13 december 2004; Antwerpen 2 februari 2004).

 

Twee arresten van het Hof van Cassatie hebben echter twijfel gezaaid (Cass. 23 januari 2015 en Cass. 25 juni 2015).

 

In het arrest van 25 juni 2015 overweegt het Hof: “Indien de gedeeltelijke vernietiging van een dergelijk beding mogelijk is, kan de rechter de nietigheid ervan beperken tot het gedeelte dat strijdig is met de openbare orde, voor zover het behoud van het  gedeeltelijk vernietigde beding beantwoordt aan de bedoeling van de partijen.”

 

In dat van 23 januari 2015 luidt het: “Indien een overeenkomst of een beding strijdig is met een bepaling van openbare orde en bijgevolg nietig is, kan de rechter indien een partiële nietigheid mogelijk is, de nietigheid, behoudens de wet zulks verbiedt, beperken tot het met deze bepaling strijdig gedeelte van de overeenkomst of beding op voorwaarde dat het voortbestaan van de gedeeltelijk vernietigde overeenkomst of beding beantwoordt aan de partijbedoeling.”

 

De vraagt rijst of die nieuwe theorie ook moet toegepast worden op de concurrentiebedingen in arbeidsovereenkomsten en handelsagentuurovereenkomsten. Die zijn immers beide bij wet geregeld, wat niet het geval was in de situaties die aan het Hof van Cassatie werden voorgelegd. Verbiedt de wet in die twee gevallen het “herschrijven en beperken” door de rechter van het concurrentiebeding? Sommige rechtsgeleerden menen van wel minstens wat de arbeidsovereenkomst betreft: “In andere gevallen verbiedt de wet – met het oog op de bescherming van bepaalde partijen – elke reductie en legt zij de hele nietigheid van het beding op (zie bv. art. 65, § 2 en 104 Arbeidsovereenkomstenwet)” ( F. Peeraer, “Naar een nietigheid op maat: de principiële erkenning van de (mogelijkheid tot) reductie door het Hof van Cassatie”, RW 2015-16, 1187;  in dezelfde zin: M.L. Wantiez, noot, JTT 2015, 483). Anderen zijn het daarmee niet geheel eens en menen dat er argumenten zijn om te zeggen dat de rechter wel een matigingsbevoegdheid heeft (D. Mertens, “Het niet-concurrentiebeding: het mag ietsje meer zijn”, DAOR 2015/3, 18, met verwijzing).

 

Er zijn dus zowel argumenten om tot conclusie te komen dat de ongeldigheid van het concurrentiebeding in de overeenkomst van 22 september 2016 het volledige beding betreft,  als argumenten dat de rechter dat beding kan reduceren (“matigen”) tot binnen de grenzen van de wet.

 

 

Ludo Vermeulen, advocaat-vennoot

Vermeulen Heylen Michiels advocaten

ludo.vermeulen@vermeulen-law.be

Stel uw vraag

 

En wij nemen zo snel mogelijk contact met u op