Kantoor Kempen

T+ 32 14 54 68 43

Kantoor Mechelen

T+ 32 15 69 02 18

Kantoor Hasselt

T+ 32 11 36 09 71

Vermeulen

Nieuwsbrief 2016-5

1.   Kantoornieuws

 

1.1 Personeelswissel

 

Wij begroeten Annelies Verlinden als nieuwe advocate in ons kantoor. Zij is sedert een vijftal jaar actief in het sociaal recht en dat zowel aan de balie als daarbuiten.

 

Na een samenwerking van zowat 14 jaar met het kantoor heeft Lukas De Graeve besloten zijn loopbaan een nieuwe wending te geven en andere horizonten op te zoeken. Wij wensen hem daarbij veel succes. Ook Erik Verlinden maakt geen deel meer uit van ons kantoor. We wensen ook hem veel succes in zijn verdere carrière.

 

 

1.2 Opleiding

 

Ilse Van Puyvelde zal op 1 september 2016 een lezing geven met als titel "Labour law and social dialogue" tijdens het tweedaagse seminarie "Making Intellectual Property Rights work at work".  Het seminarie vindt plaats bij het European Economic and Social Committee (EESC), Van Maerlandtstraat, Brussel.

 

De balie te Turnhout organiseert op vrijdag 16 september 2016 om 12 uur een werklunch. Ludo Vermeulen zal er een les geven met als titel:

 

“Een profvoetballer met een bedrijfswagen. Grondrechten en RSZ-bijdragen.”

 

Het respect voor de grondrechten, in de eerste plaats het grondrecht op gelijke behandeling, is niet de eerste zorg van de wetgever bij het bepalen van het toepassingsgebied en de bijdrageregeling van de sociale zekerheid. De spreker zal het hebben over een aantal markante fenomenen, zoals de voorkeursbehandeling van sportbeoefenaars en van bedrijfswagens. Ook de “speciale” behandeling van deeltijdarbeid komt aan bod. En weet elke advocaat dat de RSZ hem of haar kan aanspreken tot betaling van de sociale schulden van zijn schoonmaakbedrijf of diens “onderaannemers”?

 

 

2.   Rechtspraak

 

2.1 Opgelet met contante betalingen

 

Arbeidshof Luik 13 januari 2016

 

Wanneer een werkgever loon in de hand betaalt en daarvoor geen kwitantie laat tekenen door de werknemer, kan hij die betaling niet op een andere manier bewijzen.

 

Een caféhouder betaalde naar eigen zeggen zijn serveerster elke dag in contant geld. Op het einde van de maand ondertekende zij de loonbrieven. Na het einde van de arbeidsovereenkomst beweerde zij nooit loon te hebben ontvangen en diende zij een vordering in bij de arbeidsrechtbank. Zowel de arbeidsrechtbank als het arbeidshof verklaarde die vordering gegrond. De Loonbeschermingswet bepaalt dat de werkgever bij een contante betaling een kwitantie moet laten ondertekenen (zie art. 5, § 1). De ondertekening op de loonbrief gold volgens de rechter niet als kwitantie voor het daarop vermelde loon. Sinds 1 juli 2011 bepaalt de wet (art. 47bis) dat het loon als niet-uitbetaald wordt beschouwd onder meer indien geen kwitantie is ondertekend. De arbeidsrechtbank en het arbeidshof oordelen dat dat vermoeden onweerlegbaar is. Dat betekent dat de niet-betaling definitief vaststaat ook wanneer de werkgever op een andere wijze de, bijv. met getuigen, de betaling zou kunnen bewijzen. Hij zal dus nogmaals moeten betalen…

 

Het vermoeden van niet-betaling geldt trouwens ook in een aantal andere gevallen.

 

Ludo Vermeulen, advocaat-vennoot

 

 

2.2 Een wanverhoudign tussen de fout van de werknemer en het ontslag om dringende reden? 

 

Hof van Cassatie 6 juni 2016

 

Het enige criterium dat van belang is bij de beoordeling van de dringende reden is de (on)mogelijk­heid om de arbeidsrelatie voort te zetten na de fout van de werknemer. De rechter mag dat criterium niet koppelen aan het criterium van de (wan)verhouding tussen die fout en het verlies van de betrekking. Dat laatste criterium is niet relevant.

 

Een Carrefour-medewerkster had op slinkse wijze bonuspunten voor een waarde van 55 euro afgeleid naar haar persoonlijke bonuskaart. Carrefour ontsloeg haar om een dringende reden. De werkneemster vocht het ontslag aan en vorderde een opzegvergoeding van 30.284,85 euro. Het arbeidshof te Luik oordeelde dat de sanctie van het ontslag om een dringende reden te zwaar was en dat de gevolgen ervan voor de werkneemster (die meer dan 21 jaar in dienst was) niet in verhouding stonden tot de fout. Het arbeidshof vond, anders gezegd, het ontslag disproportioneel. Er was geen redelijk verband van proportionaliteit tussen de fout en de sanctie.

 

Het Hof van Cassatie vernietigt die uitspraak. Het arbeidshof mocht de beoordeling van de dringende reden niet afhankelijk maken van het criterium van de wanverhouding tussen de fout en het verlies van de arbeidsbetrekking.

 

Ludo Vermeulen, advocaat-vennoot

 

 

2.3 Nogmaals over het eenheidsstatuut

 

Grondwettelijk Hof 2 juni 2016

 

Betekent ‘uiterlijk’ in juridische context hetzelfde als ‘onverwijld’ in de politiek?

 

Even terug in het verleden

 

In een arrest van 7 juli 2011 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de ongelijke behandeling tussen arbeiders en bedienden inzake opzegtermijnen niet langer te verantwoorden was. Het was in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het Hof gaf de wetgever twee jaar tijd om te verhelpen aan die discriminatie  en om de harmonisatie van de statuten van arbeiders en bedienden te voltooien. Tot 8 juli 2013 bleven de discriminerende regels van kracht met de zegen van het Hof.

 

De regering en de wetgever keken naar de sociale partners voor een oplossing. Iedereen keek de kat uit de boom. Op 5 juli 2013, na 27 uur pendeldiplomatie door de minister van Werk, haar kabinetschef, de kabinetschef van de premier en de voorzitter van de Groep van Tien kwam een compromis tot stand tussen de sociale partners. De regering aanvaardde dat compromis als een evenwichtig en onverbrekelijk geheel, waarna het werd uitgewerkt tot de Wet Eenheidsstatuut (officieel: de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzegtermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen). Die wet trad in werking op 1 januari 2014 – dat was een onderdeel van het akkoord.

 

Het was onduidelijk wat de gevolgen waren voor de beëindiging van arbeidsovereenkomsten in de periode tussen 8 juli 2013 en 1 januari 2014: volgens het arrest van 7 juli 2011 van het Grondwettelijk Hof bleven de gevolgen van de “discriminerende” wetgeving behouden tot uiterlijk 8 juli 2013, maar anderzijds trad de Wet Eenheidsstatuut pas in werking op 1 januari 2014. Voor die “tussenperiode” werd niets geregeld.

 

Een te verwachten betwisting

 

Een arbeider, Robert V.A. werd ontslagen op 6 september 2013, en de werkgever betaalde een opzegvergoeding berekend op de “oude” wijze (m.a.w. uitgaand van een zeer korte opzegtermijn). De werknemer was van mening dat op het ogenblik van het ontslag die oude, korte opzegtermijnen niet meer mochten worden toegepast, gelet op het feit dat het Grondwettelijk Hof in het arrest van 7 juli 2011 had geschreven dat “de gevolgen van die wetsbepalingen worden gehandhaafd totdat de wetgever nieuwe bepalingen aanneemt en uiterlijk tot 8 juli 2013”. De werknemer, bijgestaan door ons kantoor, vond dat een regel waarvan uitdrukkelijk was gezegd dat die in strijd was met het gelijkheidsbeginsel en die slechts gevolgen kon hebben tot 8 juli 2013, niet kon worden toegepast op een ontslag gegeven op 6 september 2013. Hij vorderde een aanvullende opzegvergoeding.

 

De arbeidsrechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen, dat diende te oordelen over de vordering van de arbeider, stelde een prejudiciële  vraag aan het Grondwettelijk Hof.

 

Het antwoord van het Hof

 

Het Hof antwoordde in een arrest van 2 juni 2016.

 

Het beslist dat de oude regels voor de opzegtermijnen van arbeiders (hier dus nog toegepast door de werkgever), het discriminatieverbod schenden, in zoverre zij van toepassing zijn gebleven op de arbeiders en de bedienden die werden ontslagen in de periode van 9 juli tot 31 december 2013. Maar… de gevolgen van die wetsbepalingen worden gehandhaafd tot 31 december 2013.

 

Dat komt er eigenlijk op neer dat het Hof zijn arrest van 7 juli 2011 negeert. Daarin stond letterlijk dat “de gevolgen van die wetsbepalingen (o.a. art. 59 arbeidsovereenkomstenwet) worden gehandhaafd (…) uiterlijk tot 8 juli 2013.”

 

Blijkbaar heeft het begrip “uiterlijk” voor het Grondwettelijk Hof geen betekenis, want in het arrest van 2 juni 2016 worden de gevolgen van dezelfde wetsbepaling dus plots toch langer gehandhaafd. Consequent kan dit moeilijk genoemd worden. In het licht van de rechtszekerheid is dit minstens “vreemd” te noemen.

 

Overigens kan de vraag worden gesteld welke wettelijke grondslag het Grondwettelijk Hof heeft in het kader van een prejudicieel contentieux voor de zogenaamde “moduleringen van ongrondwettigheid in de tijd”. Enkel in een vernietigingscontentieux kan het Hof moduleren. M.a.w. het Grondwettelijk Hof gebruikt een bevoegdheid die het niet heeft, om een lacune in een andere wet dicht te rijden.

 

Wat ook opvalt in het arrest van het Grondwettelijk Hof is dat het zeer mild is voor de wetgever die de door het Grondwettelijk Hof opgelegde deadline miskent. Het Hof schrijft: “Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding is de tot stand gebrachte regeling het resultaat van een zeer moeizaam bereikt compromis in een aangelegenheid waar een oplossing diende te worden gezocht voor een historisch gegroeid en zeer complex probleem. De wetgever heeft daarbij groot belang gehecht aan het sociaal overleg, dat op 5 juli 2013 tot een compromisvoorstel heeft geleid en dat bij de wet van 26 december 2013 werd uitgewerkt. De datum van inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving op 1 januari 2014 maakte deel uit van dat compromis”.

 

Mogen we hieruit afleiden dat het Grondwettelijk Hof er dus helemaal geen probleem mee heeft dat de wetgever het schrijven van wetten uitbesteedt en dat de sociale partners – veel te laat en ver na de dwingende deadline die het Hof had vooropgesteld - een compromis bereiken, en in dat compromis een datum van inwerkingtreding (1 januari 2014) afspreken die nog verder in de tijd ligt, daarbij de deadline gesteld door het Grondwettelijk Hof straal negerend?

 

Mogen we hieruit afleiden dat het Grondwettelijk Hof zomaar accepteert en er geen bezwaar tegen heeft dat de wetgevende macht dat compromis tussen privé-organisaties ongewijzigd moet overnemen en gebonden is door een datum die tussen die privé-organisaties werd afgesproken, daarbij het arrest van het Grondwettelijk Hof negerend? Blijkbaar wel, want het Hof bedekt met de mantel der liefde de schending van de deadline die het Hof zelf had opgelegd.

 

Moeten we hieruit afleiden dat het begrip “uiterlijk” in de juridische context even veel betekent als “onverwijld” in de politieke context?

 

 

Dirk Heylen, advocaat-vennoot                                  Ludo Vermeulen, advocaat-vennoot

Dirk.heylen(at)vermeulen-law.be                              ludo.vermeulen(at)vermeulen-law.be

 

 

Stel uw vraag

 

En wij nemen zo snel mogelijk contact met u op